Stephanus Petrus Daniël le Roux (Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1990-01-01)

Vanuit Digitale Etienne Leroux Projek

Spring na: navigasie, soek

Oudtshoorn 13 juni 1922 -- Bloemfontein 30 december 1989

De zich als schrijver Etienne Leroux noemende Zuidafrikaan was een zoon van de Zuidafrikaanse minister van Landbouw S.P. le Roux. Tussen het representatieve ambt van de vader en het rebelse schrijverschap van de zoon gaapte een diepe kloof.

Etienne Leroux bezocht de middelbare school Grey-kollege in Bloemfontein en studeerde van 1940 tot 1944 rechten aan de Universiteit van Stellenbosch. In 1948 trad hij in het huwelijk en vestigde zich voorgoed op het familielandgoed ('familieplaas'), waaraan hij de curieuze naam Janee gaf. In 1954 maakte Etienne Leroux een reis naar Europa, onder meer naar Nederland. In Parijs leerde hij de landgenoten Jan Rabie en Bartho Smit kennen die samen met hem en André P. Brink gestalte zouden gaan geven aan de vernieuwing van de Zuidafrikaanse letterkunde die als de 'Sestiger'-beweging bekendstaat.

Tijdens de jaren vijftig ging de Nederlandse letterkundige Jan Greshoff, redactielid van Standpunte, een belangrijke rol spelen in het schrijversleven van Etienne Leroux. Over de betekenis van Greshoff voor zijn werk schreef Leroux in het aan Greshoff gewijde nummer van Tirade (november 1973): 'Ek het Jan Greshoff in die vyftigerjare leer ken. Die aandeel wat sy persoonlike vriendskappe in die veertigerjare vir ons letterkunde beteken het, kan alleen ons grootste Afrikaanse digters met erkentlikheid oor getuig. (...) Namate filmsterre en staatsmanne met rypwording uit my gesigsveld verdwyn het, het ek vandag net twee visuele beelde oor: Jan Greshoff en Virginia Woolf, die twee mees byblywende gesigte wat in mu onbewuste spook.'

Etienne Leroux debuteerde in 1943/1944 met verhalen in het blad Die Stellenbosse Student. In 1955 publiceerde hij zijn eerste roman, Die eerste lewe van Colet, en leidde daarmee de aflossing in van een romantype dat N.P. van Wyk Louw 'rustige, lokale realisme' had genoemd. In zijn verwijzing naar mythologische figuren en tevens door de verwerking van C.G. Jungs opvattingen over archetypen en het individuatieproces van de mens, laat het werk van Leroux een duidelijke breuk met de traditionele Afrikaanstalige roman zien. Op een eigenzinnige wijze maakt hij ook weer gebruik van de literaire tradities. Hij combineert het oude met beelden uit de dieptepsychologie en met literaire en cinematografische modernismen uit Europa. Nieuwe thema's en nieuwe literaire bouwvormen fungeren bij hem als uitdrukking van een veranderde kijk op de wereld, vooral op het complexe verschijnsel mens binnen de context van Zuid-Afrika.

Karakteristiek voor Leroux' werk zijn de vele verwijzingen naar andere teksten. Hij is een meester in de creatieve verwerking van intertekstuele relaties. De mens bij Leroux tracht zijn leven de grondslag van een levende mythe te geven. Daarvoor moet die mens eerst afstand doen van valse collectieve mythen. In deze afstand van vertrouwde mythen en religieuze rechtvaardigingen van het bestaan ligt de oorzaak van de geweldige emoties die het werk van deze schrijver in Zuid-Afrika vanaf de jaren vijftig teweeg heeft gebracht. Al in Die eerste lewe van Colet -- 'opgedra aan Jan Greshoff' -- is dit het geval. Hij sluit in uiterlijke zin aan bij traditionele vertelwijzen, combineert die met nieuwe inhouden, een veelheid van verwijzingen en met nieuwe vertelstructuren zoals de innerlijke monoloog. Naast de onderlaag van religieuze of mythische aard is het gebruik van symbolen bij deze schrijver opmerkelijk. Terwijl zijn romanfiguren een allegorisch karakter bezitten, krijgt het geheel van de roman een satirische inslag ten opzichte van bestaande werkelijkheidsopvattingen.

In de debuutroman draait alles om de geschiedenis van Colet van Velden, vooral om diens seksuele ontwikkeling, en daarmee verbonden, om de problematiek van goed en kwaad. Hilaria (1957) is het vervolg op het eerste werk. In Hilaria wordt een ander belangrijk vertelelement duidelijk zichtbaar: de tegenstelling tussen de gemechaniseerde moderne wereld en de herleving van een eertijds zinvolle mythe. Wat vroeger als ritueel zin en betekenis had, krijgt in de nieuwe context een perverse functie. In veel romans van deze schrijver bestaat een discrepantie tussen het tot kunstmatig nieuw leven gewekte mythische gegeven en de situatie van de moderne mens. Deze dolende moderne mens, op zoek naar een levende mythe te midden van de chaos van de grote stad, vormt het onderwerp van de roman Die Mugu (1959). Gysbrecht Edelhart, de hoofdpersoon, is zowel individu als allegorische figuur. Deze roman stort alle mogelijke teksten over de lezer uit en maakt duidelijk dat het hier een spel met fictie betreft.

Het hoogtepunt in het werk van Leroux vormen de drie romans van de zogenaamde Welgevonden-trilogie: Sewe dae by die Silbersteins (1962), Een vir Azazel (1964) en Die derde oog (1966), die in 1972 onder de titel To a dubious salvation in het Engels uitkwamen. In het middelpunt van deze drie romans staat het immense landgoed Welgevonden, dat zodanig is opgebouwd dat het een Zuid-Afrika in het klein lijkt, met vertrouwde maatschappelijke groepen en schakeringen en met waardevoorstellingen van ideologische aard. Henry van Eeden, een man met een in allegorische richting wijzende naam, wordt in het eerste deel van de trilogie zeven dagen lang in de wereld van Welgevonden binnengeleid. De zeven dagen zijn een op tradities steunende initiatierite in een door technische ontwikkelingen gedomineerde wereld. Door de confrontatie van een rationalistische, geleide wereld met de onpeilbare diepten van de menselijke geest, heeft dit ingenieus opgebouwde boek een grote rijkdom aan betekenislagen gekregen.

In Een vir Azazel wordt de handeling van het eerste deel voortgezet. Het accent ligt nu op de vraag naar de zin van het offeren van een zondebok. De mythe van de zondebok wordt hier ontmaskerd, omdat de reus Adam Kadmon Silberstein aan een op Welgevonden gepleegde moord onschuldig is en desondanks aan de woede van de menigte ten prooi valt. Ook het derde deel van de trilogie, waarin sergeant Demosthenes H. de Goede in het middelpunt staat, bevat een mythische basisstructuur, die vervolgens ter discussie wordt gesteld.

18 - 44 (uit 1967, Engelse vertaling in 1972) is het eerste deel van wat eveneens een romantrilogie is. De eerste roman heeft als basispatroon de correspondentie tussen de schrijver Y en de achttienjarige X. In de roman Isis Isis Isis... (1969) geeft de Egyptische mythe van Isis en Osiris een onderliggende structuur aan een gebeuren waarop een reisverhaal wordt geënt. Het derde deel van deze trilogie wordt gevormd door Na'va (1972). Het is in de vermenging van elementen uit een vertrouwd werkelijkheidspatroon en van segmenten en beelden uit de literatuur een van de meest groteske werken van Etienne Leroux. Mythische elementen uit het hindoeïsme en het jodendom worden hier gecombineerd met een ingewikkelde tijdsstructuur. Grotesk is het sleutelwoord om de wereld van Etienne Leroux te begrijpen. Hij combineert dingen en voorstellingen die volgens geijkte realiteitsopvattingen niet samen voorkomen. Hij vermengt het verhevene met het lage, de diepte van de mythe met de trivialiteit van de op economisch belang ingestelde wereld. Bovendien introduceerde deze schrijver allerlei woorden uit de omgangstaal, in het bijzonder op seksueel gebied. Al in zijn studententijd was Leroux met de literaire introductie van 'slang'-taal begonnen.

Het zal duidelijk zijn dat de romans van Leroux een harde confrontatie inhielden met de erkende waarden van de Afrikaanstalige gemeenschap in Zuid-Afrika. Met de Welgevonden-trilogie kwam het conflict in de openbaarheid. De discussie over Sewe dae by die Silbersteins begon al in 1962, met als voorspel het debat over het 'Wetsontwerp op Publikasies en Vermaaklijkhede'. Leroux kwam in verzet en schreef aan het dagblad Die Burger (15 februari 1962): 'Min mense besef hoe afhanklik 'n skrywer is van sy vryheidsgevoel as hy skryf: dit bepaal die spontaneïteit van sy werk, die moed waarmee hy ook die verbode aandurf in sy soektog na die waarheid.' In welke mate Leroux aan verboden onderwerpen had geroerd, werd duidelijk toen hem in mei 1964 de Hertzog-prijs voor Sewe dae by die Silbersteins werd toegekend. Binnen de prijsverlenende instantie, de S.A. Akademie vir Wetenskap en Kuns, bestond grote onenigheid met betrekking tot het oordeel over de roman. De discussie kwam goed op gang na de publikatie van N.P. van Wyk Louw over de uiteenlopende beoordelingen. Louw zelf was ten gunste van de toekenning. Maar veel lezers waren dat niet. De rubrieken 'Brieven van lezers' van de Zuidafrikaanse dagbladen beleefden gouden tijden. Er zou met deze brieven een heel boek te vullen zijn. Overigens was de kritiek op Leroux niet uitsluitend van levensbeschouwelijk-morele aard. W.E.G. Louw en Rob Antonissen kritiseerden het in hun ogen slordige taalgebruik van Leroux.

Met zijn roman Magersfontein, O Magersfontein! (1976) zette Leroux zijn traditie van het schrijven over taboes voort. Deze roman over de verfilming van de slag bij Magersfontein uit de Tweede Anglo-Boerenoorlog is een satire op de Apartheid, op de censuur, op een bepaalde morele en religieuze code en op de interpretatie van het verleden der Zuidafrikaanse Boeren als een heroïsche geschiedenis. Vooral wegens de vermenging van seksualiteit en godsdienst werd de roman in 1977 verboden. Op grond van een instructie van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken kwam het tot een hernieuwde afweging -- nu door de Appèlraad oor Publikasies -- of de roman ongewenst zou worden verklaard of niet. Magersfontein, O Magersfontein! werd inderdaad opnieuw ongewenst verklaard. Pas in 1980 besliste de Appèlraad op grond van uiterst nauwkeurige literaire analyses door deskundigen, dat de vorige beslissing vervangen werd door het besluit, 'dat die boek nou nie-ongewens is'.

In de roman Onse Hymie (1982) trok Leroux voor de laatste keer alle registers van zijn kunnen open. De handelsreiziger in ijshoorntjes en kerstballen Hymie is onderweg door Zuid-Afrika om zijn waar te slijten. De groteske ervaringen van Hymie en zijn begeleider, de 'kleurling' Johannes Garries, bereiken hun bizarre hoogtepunt in het luxueuze vakantieoord 'Sonnekus-vir-rus', dat als gevolg van een aardbeving tot een klaaglijke puinhoop vervalt. Ook Hymie gaat ten onder, wanneer hij in een door zwarten bewoonde wijk zijn waren probeert af te leveren. Zwarte kinderen steken zijn bestelwagen in brand. Hij sterft in de vlammen, volledig verbijsterd door wat hem nu is overkomen. Voor de lezer die inmiddels aan de stijl van Etienne Leroux gewend was geraakt, had de schrijver opnieuw een groteske schok in petto.

Etienne Leroux stierf voordat hij zijn nieuwe roman Die suiwerste Hugenoot is Jan Schoeman kon voltooien. Het door de schrijver met de hand gecorrigeerde typoscript werd in 1990 als facsimile gedrukt. Het is evenwel twijfelachtig of dit de definitieve tekst had moeten worden. Eén blik in het typoscript roept de andere romans in herinnering.

Van alle schrijvers van de genoemde 'Sestiger'-generatie is Etienne Leroux de radicaalste en creatiefste geweest. Hij legde de grondslag voor een vorm van prozaliteratuur die sedertdien bevruchtend en vernieuwend heeft gewerkt, binnen het Afrikaanstalige proza, en als gevolg van de sterke binding van cultuur en politiek in Zuid-Afrika, ook binnen de Zuidafrikaanse samenleving als geheel. Als pendant van Leroux binnen de Engelstalige Zuidafrikaanse letterkunde is de Kaapse schrijver J.M. Coetzee te beschouwen. De voortrekkersrol onder de Afrikaanstalige schrijvers is meer en meer door Etienne van Heerden overgenomen.

In een terugblik op zijn leven met de titel 'Jeugmomente' (uit Herinnering se wei, 1966) vertelde Etienne Leroux het volgende over het begin van zijn schrijverschap. Ondanks zijn aarzeling om zoiets sensitiefs aan te roeren, bevatten zijn woorden toch een soort commentaar bij zijn gehele werk: 'Tussen al die momente (van de jeugd) moet daar tog één wees wat die meeste bygedra het tot die mens wat ek vandag is. As ek nou daaroor nadink, kan ek dit nie vaspen nie. Miskien is daar 'n soort defensiewe meganisme wat my verhinder om té veel van myself te openbaar. En tog is daar gedurig iets wat ek in die romans van die beste skrywers in die wêreld teenkom waarmee ek myself identifiseer via daardie Onbekende Moment in my eie lewe. Dit stel my in staat om te begryp waar die logiese slotsom van woorde en opsigtelike betekenisse nie voldoende is nie. Ek het onlangs daardie gevoel gekry toe ek Nadja van André Breton gelees het.

Daardie geheimsinnige moment (het dit ontstaan toe ek in die Arthuriaanse legendes die goue en die swart ridder teen mekaar sien veg het?) het my bewus laat word van teenstellings wat ek moes aanvaar. Ek het in die Calvinistiese platteland op 'n onverklaarbare wyse die oerbronne begryp; ek kon in 'n paganistiese omgewing die nougesette kodes van die Afrikaanse samelewing verstaan. Ek het gevind dat ek, deur die magiese werking van die Onbekende Moment, in verskillende wêrelde tegelyk kon leef, dat ek Pan kon hoor fluit in die riete sowel as die gesang van die gelowiges in die kerk teen die heuwel, dat daar 'n goue vuur brand in rioolvore en helder waterstrome, dat ek self in die vuur brand en dat daar, onsigbaar dwarsdeur die wêreld, mense is wat soos ek voel.'

H. ESTER

VOORNAAMSTE GESCHRIFTEN

Behalve de genoemde:

Wat beteken vernuwing in die prosa vandag? (N.P. Van Wyk Louw-gedenklesing.) Johannesburg 1973.

Tussenspel. (Verhalen, ed. J.C. Kannemeyer.) Kaapstad 1980.

Tussengebied. (Beschouwend proza, ed. J.C. Kannemeyer.) Kaapstad 1980.

De Welgevonden-trilogie werd in 1983 gebundeld als Die Silberstein-Trilogie.

Het proces met de roman Magersfontein, O Magersfontein! als inzet werd nauwkeurig gedocumenteerd in: Magersfontein. Die Dokumente. Kaapstad 1990.

Persoonlike gereedskap